aartsbisdom.be

Religieus, politiek en financieel nieuws

L. Vanneste, revolutionaire reformist October 5, 2014

 

Onder de titel ’Is er nog een alternatief voor het casino kapitalisme?’ verzamelde het Gentse filosofische tijdschrift Kritiek i.s.m. IMAVO een aantal interessante bijdragen rond het thema van de relevantie van anti-kapitalistische perspektieven in het post-kommunistische tijdperk. Mijn aandacht werd vooral getrokken door de bijdrage van Luc Vanneste, doktor in de wijsbegeerte, vroeger sympatisant van de KPB en momenteel topfuntionaris in de textielcentrale van het ABVV. Vanneste beschrijft in het artikel zijn politieke en intellektuele evolutie van ’revolutionair’ tot wat hij noemt een ’revolutionaire reformist’. Hij blijft revolutionair omdat hij ervan overtuigd is dat het bestaande kapitalistische systeem steeds dichter zijn grenzen benadert (hij verwijst daarbij naar de staatsschuld, de werkloosheid en het onderhuids aanzwellende milieuvraagstuk). Maar hij is niet langer een ’principieel’ revolutionair die vanuit zijn studeerkamer of progressieve kafee de les spelt aan opportunistische politieke of syndikale voormannen en hun lijdzame volgelingen. Diens blanke principes verbergen al te dikwijls ’vuile handen’: zij zijn een voorwendsel om niets te doen en onttrekken vooral de kleine, konkrete mensen aan het oog. Verwijzend naar het beroemde theaterstuk van Sartre ’Les Mains sales’ identificeert Vanneste zich niet langer met de zuivere Hugo (’De zuiverheid is een idee van fakirs en paters. Jullie intellektuelen, anarchisten, bourgeois, jullie vinden er een voorwendsel in om niets te doen. Niets doen, onbewogen blijven, de ellebogen tegen het lijf aandrukken, handschoenen dragen’), maar hij kan nu sympathie en begrip opbrengen voor de opportunistische partijleider Hoerderer die konkrete mensen verkiest boven principes (’Voor mij telt het een mens meer of minder in de wereld. Het is kostbaar. Ik ken je goed, kleintje, je bent een vernieler. Je haat de mensen omdat je jezelf haat. Je zuiverheid lijkt op de dood en de Revolutie waar je van droomt is niet de onze: je wilt de wereld niet veranderen, je wilt haar laten springen’).

Op het eerste zicht lijkt het paradoxaal het revolutionaire en het reformistische te willen verzoenen: een revolutionair syndikalist probeert immers op de een of andere manier het systeem kapot te breken, terwijl de reformist ervoor moet zorgen dat zijn leden een groter deel van de koek krijgen en dus ook dat het systeem soepel genoeg draait opdat er steeds meer koek gebakken zou kunnen worden. Vannestes oplossing bestaat erin niet te streven naar een ondergraving van het bestaande produktie-apparaat, maar naar een hervorming ervan naar een nieuw apparaat. Het systeem een voetje lichten (door onze steun aan het stelsel te onttrekken in de vorm van een algemene konsumptiestaking of door zoveel te gaan eisen dat het doorbuigt onder de overdreven druk) heeft geen zin omdat er geen uitzicht bestaat op wat erna moet komen, omdat er geen embryo van een nieuw systeem gereed zit, omdat we onvermijdelijk zouden belanden in een revolte zonder doelgerichtheid. Wat is het alternatief? De ontwikkeling van het maatschappelijk systeem dwingt tot verandering. De syndikale organisatie moet dat niet trachten tegen te gaan. Ze moet daarop inspelen door haar leden voor te bereiden op de keuzes die onvermijdelijk moeten gemaakt worden. Vannestes uitweg uit de paradox ziet er dan als vogt uit: ’De vakbeweging moet inderdaad de welvaart bevechten op het systeem. Maar zij moet het niet ten allen prijze overeind houden. Zij moet ervoor zorgen dat zij op een andere boot kan springen op het moment dat de huidige zinkt. En voor die sprong moet zij de mensen nu al voorbereiden’ (p.28). Deze strategie van het revolutionaire reformisme veronderstelt een bepaald soort wachten. Het is geen wachten op Godot: in dat geval is er wel behoefte aan hoop, maar tegelijkertijd is elke konkrete hoop op een uitweg afwezig. Intuïtief voelt men aan dat het zo niet langer verder kan en dat elke poging om het systeem op te lappen nutteloos is maar tevens voelt men zich hulpeloos overgeleverd aan de apokalyps. Daartegenover staat het wachten ’als geduld’ (Vaclav Havel). Hier werd zaad gestrooid in de vorm van een welbepaalde praxis van verzet en van een voortdurend herhalen van de waarheid. Er is hoop aanwezig dat het verspreide zaad ’ooit zal ontkiemen. Niemand weet wanneer. Op een dag. Misschien voor een andere generatie. Deze houding die we, om het eenvoudig te stellen, dissidentie zullen noemen, veronderstelt en kultiveert het geduld (…). Het is het wachten op het ontkiemen van het zaad -terwijl wachten op Godot hetzelfde is als wachten op de bloei van een lelie die we nooit hebben geplant’.

Tot zover Vanneste. In grote mate kan ik hem volgen, afhankelijk van de konkrete invulling dat aan zijn abstrakt stramien gegeven wordt. De bestaansgrond van dit nieuwe tijdschrift is net dat ’het systeem zijn grenzen nadert’. In de volgende nummers zou ik de destruktieve logika van het internationale kapitalisme in zijn verschillende dimensies (niet alleen ekonomisch en sociaal, maar ook kultureel en ekologisch) uitvoerig uit de doeken willen doen. Laat mij er deze keer mee volstaan te verwijzen naar E. Vermeersch’ ’Scylla en Charybdis’-principe als meest overtuigend argument voor een revoltionaire houding. Dit principe stelt dat de ongeveer 10 miljard mensen die in het jaar 2100 op onze planeet zullen rondlopen ofwel dezelfde levensstandaard zullen hebben als nu (met 9/10 van de maatschappelijke rijkdom gekoncentreerd in het Westen) wat ethisch onaanvaardbaar en sociaal-politiek onhoudbaar is, ofwel zullen die 10 miljard mensen allemaal Euro-Amerikanen geworden zijn wat de bijkomende druk op het milieu met 1000 à 2000% zou verhogen, een eveneens onhoudbare situatie.

Een ’revolutie’ is vanuit dat perspektief onvermijdelijk, maar de revolutionaire doelstelling moet hier-en-nu reeds aanwezig gesteld worden. Het eindeloos wachten en zich voorbereiden op de Grote Avond is een door de tijd achterhaalde mythe. De Russische libertaire socialist Alexander Herzen schreef 100 jaar geleden reeds: ’Een doel dat oneindig veraf ligt, is helemaal geen doel, het is een misleiding. (…)Het doel van iedere generatie moet in zichzelf liggen’. Het nieuwe moet dus nu reeds gezaaid worden. In welke zin moeten we dat verstaan? Een tijdje terug introduceerde de Nederlandse libertaire ekologist Marius De Geus in zijn boek ’Politiek, milieu en vrijheid’ (1993) de term ’ekologische herstrukturering’, die mij een goede konkretisering lijkt van wat Vanneste het inplanten van een nieuw embryo noemt. Ekologische herstrukturering situeert zich ergens tussen ’piecemeal engineering’ en ’utopian engineering’. Niet gans de maatschappij moet hervormd worden, niet iedere steen dient verplaatst te worden. Het gaat om diepergravende aanpassingen en hervormingen op middellange termijn die nog kunnen bijgesteld worden. Hij vergelijkt dit met het bouwen van een huis. De utopische ingenieur zal een geheel nieuw huis willen neerzetten uitgaande van plannen waarin het zogenaamde ’perfekte’ huis is uitgetekend. De stukjes-ingenieur houdt het oude huis intakt, alleen het strikt noodzakelijke wordt gerepareerd of vervangen. De ekologische ingenieur daarentegen zet geen volledig nieuw huis neer, maar zal het huis in min of meerdere mate aanpassen, uitbouwen en herbouwen om aan de nieuwe eisen te voldoen. Niet enkel de gevolgen van de veroudering van het gebouw worden aangepakt, maar de struktuur van het ganse gebouw verandert. Herziening van de verbouwing blijft steeds mogelijk: het huis blijft hetzelfde, maar ondergaat terzelfdertijd een grondige verandering. Alleszins een verhelderend metafoor maar alle problemen zijn daarmee nog niet van de baan. Zo iemand als ’de’ ekologische ingenieur bestaat immers niet: hoe hij de verbouwing ziet zal afhangen van zijn opleiding en persoonlijke smaak. Zo zal Marius De Geus zelf -overtuigd van de onomkoombaarheid van de vrije marktekonomie – een tamelijk liberale inkleuring geven van zijn ekologisch huis. Iemand als André Gorz zal een eerder sociaal-demokratische variant verdedigen, terwijl ikzelf meer zie in de gewoonlijk als ’gauchistisch’ omschreven voorstellen van een Alain Bihr of Murray Bookchin.

Een verdere nuancering zou ik willen aanbrengen in de identiteit van de ’zaaiers’: op dat vlak zou ik willen pleiten voor een taakverdeling tussen organisaties die binnen het kader van de Grote Politiek plegen op te treden (partijen, vakbonden, min of meer ’gevestigde’ nieuwe sociale bewegingen,…) en organisaties die behoren tot de Kleine Politiek (aktiegroepen, alternatieve woon-en werkprojekten, allerlei sociale initiatieven,…). De eersten stellen zich op het standpunt van het haalbare: rekening houdend met de bestaande machtsverhoudingen proberen zij de sneltreinvaart waarmee ons systeem afsnelt op de afgrond, af te remmen. Dat kan gebeuren door maatregelen voor te stellen die ons ’uitstel van exekutie’ opleveren, dwz. dat zij ervoor kunnen zorgen dat ons sociaal en ekologisch draagvlak niet dodelijk verzwakt wordt in afwachting van meer duurzame oplossingen. Die duurzame oplossingen maken echter slechts kans als de organisaties tegelijkertijd hun mensen, middelen en faciliteiten aanwenden om het dissidente zaad te helpen verspreiden. De leden kunnen gekonfronteerd worden met nieuwe ideeën en projekten die hen leren de wereld met andere ogen te bekijken en op die manier de pathologie van het alledaagse leven onder het kapitalisme helpen te doorbreken.

Maar minstens even belangrijk schat ik de projekten en initiatieven in die zich op het standpunt van het noodzakelijke/wenselijke stellen: welke samenleving hebben wij ’idealiter’ nodig om op een duurzame wijze mens-en milieuvriendelijk te kunnen verderleven? Dit is het aktieterrein van de principilen, de filosofen, van de mensen die vinden dat de gehanteerde middelen in overeenstemming moeten zijn met het geviseerde doel. Hier wordt geëxperimenteerd met kleinschaligheid, zelfbeheer, kollektieve woonvormen, alternatieve hulpbronnen, organische landbouw, libertaire opvoeding, meditatie, enz. Deze toekomstgerichte embryo’s werden, jaren geleden reeds, door de Amerikanse filosoof Robert Nisbet ondergebracht in een heel specifieke politieke traditie die hij de ’ecological community’ noemde en die als volgt door hem omschreven werd: ’(…) Revolutie is niet haar wezenlijk kenmerk want terwijl het overheersende doel van de revolutie de omverwerping en afgedwongen aanpassing van het menselijke gedrag aan de revolutionaire macht en projekten is, zijn de doelstellingen en handelingen van dit soort mensen, op een uitzondering na, vredelievend, niet geïnteresseerd in verovering en gewongen aanpassing, dwangloos, zich realiserend via het stellen van voorbeelden en door visie, eerder dan door revolutionair geweld en centralisatie van de macht’.

Categories: Uncategorized