aartsbisdom.be

Religieus, politiek en financieel nieuws

Alain Bihr in het voetspoor van het revolutionair syndicalisme January 2, 2015

 

In 1991 publiceerde de Franse socioloog en filosoof Alain Bihr een merkwaardig boek onder de titel ’Du ’grand soir’ à l’alternative -Le mouvement ouvrier européen en crise’ (Ed. Ouvrières, Paris), waarin hij een gedetailleerde analyse maakt van de ondergang van het sociaal-demokratische model van de arbeidersbeweging. Het vacuüm dat door de ontreddering in het linkse kamp gekreëerd werd wil hij aangrijpen om de sociale strijd op nieuwe sporen te zetten die het menselijk emancipatiestreven verbreden en verdiepen. Zijn konkrete en verregaande voorstellen vormen een geslaagde synthese van wat er de laatste jaren aan maatschappelijke alternatieven uitgedokterd is geworden. Bihr situeert zich ideologisch in de traditie van het radenkommunisme en het revolutionaire syndikalisme: hij hanteert daarbij een variant van de dogmatische marxistische terminologie die zijn blik bijwijlen sterk vertroebelt, zonder dat dit echter afbreuk doet aan de profetische kracht en luciede inspiratie die uit zijn werk spreken.

Alain Bihr situeert de ’sociaal-demokratisering’ van de Europese arbeidersbeweging, zowel in zijn reformistische als in zijn revolutionaire variant, in de vooroorlogse jaren tussen 1880 en 1914. De basisidee was dat het proletariaat zich slechts uit de onderdrukkende en uitbuitende verhoudingen van het kapitalisme zou kunnen bevrijden door de staatsmacht op de burgerij te veroveren. De staat werd voorgesteld als een verplichte en onontwijkbare tussenstop op weg naar de emancipatie. Reformisten (à la Hendrik De Man) streven een geleidelijke demokratisering van de kapitalistische maatschappij na via struktuurhervormingen. Revolutionairen (Lenin) willen de produktiemiddelen verstaatsen om op die manier de ekonomische ontwikkeling op een geplande manier te doen verlopen. In beide gevallen probeert men het kapitalisme te verstaatsen en wordt miskend dat de staat integraal deel uitmaakt van de kapitalistische ordening en dat een revolutionaire inkleuring daarvan een contradictio-in-terminis is. Bovendien zullen de arbeidersorganisaties spontaan de gestalte aannemen van een ’tegen-staat’ die exakt de eigenschappen van de staat zelf gaan weerspiegelen: centralisatie, machtsdelegatie, burokratische hiërarchie, beslissingen genomen door een top gehuld in nevelen van exklusiviteit en geheimzinnigheid. Ideologisch zullen zij zich laten inspireren door een aantal ’verlinkste’ burgerlijke thema’s, zoals het geloof in de onomkeerbare historische vooruitgang die noodzakelijkerwijze kulmineert in het socialisme.

De ’sociaal-demokratisering’ werd mogelijk gemaakt door de nederlaag van haar ideologische rivaal: het revolutionaire syndikalisme. Tegenover het etatisme stelde het syndikalisme dat ’de emencipatie van de werkers de zaak van de werkers zelf moet zijn’. Het proletariaat moet zijn heil niet verwachten van een extern organisme, maar uit zichzelf de kracht putten om de strijd tot het einde door te voeren. Vandaar het belang van de direkte aktie: de (algemene) staking, de boycot, de sabotage, de agitatie, het oproer,… Spontane organisatievormen van de werkers worden verkozen boven andere: de syndikaten worden uitgebouwd als embryo’s van de nagestreefde kommunistische maatschappij (waarbij horizontale strukturen de voorkeur genieten boven vertikale). Ideologisch wordt het anti-etatisme verbreed tot een fervent anti-militarisme en anti-nationalisme. Akties moeten een pedagogische meerwaarde krijgen: het geloof van de arbeiders in hun eigen kracht versterken.

Het sociaal-demokratische model vierde haar triomf in de ’fordistische’ fase van het kapitalisme (1945-1973), toen de kapitaalbezitters aan de overheersten het recht toekenden om te onderhandelen over de kondities van hun overheersing. Dit werd mogelijk gemaakt door een herstrukturering van het kapitalisme in de zin van een massaproduktie- en konsumptiesysteem dat ingebed werd in het beschermende kader van de (keynesiaanse) welvaartsstaat. Het fordistische kapitalisme kan opgevat worden als het resultaat van een reusachtig ’gemarchandeer’ waarin het historisch ’avonturierschap’ van de arbeidersklasse ingeruild wordt voor maatschappelijke zekerheid. In ruil voor de erkenning van de legitimiteit van de bourgeois-dominantie krijgen de arbeiders reële sociale rechten (op werk, op uitkeringen, op huisvesting, op vrije tijd,…) i.p.v. de vroegere formele burgerlijke en politieke rechten.

Comments Off on Alain Bihr in het voetspoor van het revolutionair syndicalisme
Categories: Uncategorized