aartsbisdom.be

Religieus, politiek en financieel nieuws

Het transitiefonds: sparen voor een goedkoop energiekrediet April 21, 2015

Innovaties in spaar- en kredietformules voor energiebesparende ingrepen zouden enkele van de sterktes van de besproken overheidsmaatregelen kunnen overnemen maar tegelijk de zwaktes vermijden. Ze zouden naast of in combinatie met bestaande ondersteuningsmaatregen van de overheid hun nut kunnen bewijzen om energierenovaties te stimuleren. Hoe zou een levensvatbaar fonds eruit zien dat genoeg geld kan aantrekken en goedkoop terug kan uitlenen om zoveel mogelijk mensen de kans te geven hun huis energiezuinig te maken? Een combinatie van een gesloten spaar- en kredietsysteem met een consumentencoöperatieve kan een mogelijkheid zijn. De voordelen van een consumentencoöperatieve compenseren de lagere interest op het spaargeld van de deelnemers in het fonds. Met dat ingezamelde spaargeld kunnen leningen met rentekorting worden gegeven.

Om een krediet met rentekorting te kunnen geven, is er nood aan goedkoop geld. Of concreter: tegenover iemand die een lagere rente dan de marktrente op zijn lening krijgt, moet er in een gesloten systeem iemand staan die minder dan de marktrente op zijn spaargeld haalt. Een spaarder zal die toegeving normaliter maar doen als hem andere voordelen worden toegekend. Bijvoorbeeld als hij dan zelf kans maakt op een goedkope lening. De Zweedse JAK banken werken volgens dat principe. Degene die rentevrij sparen, krijgen op een bepaald moment de kans om rentevrij een krediet op te nemen.

Een fonds dat goedkope, solidaire leningen geeft voor energiebesparende ingrepen zou haar geld bij spaarders kunnen zoeken. In ruil voor een iets lagere rente dan de marktrente op hun spaargeld zouden de spaarders de garantie krijgen dat ze op iedere moment zelf een goedkope energielening kunnen aangaan.Ook zouden ze door de deelname in het fonds nog andere informatie en consumptie voordelen verwerven. Het verbazingwekkende aan zulke rollende fondsen is dat er met kleine, verplichte maandelijkse bijdragen sneller dan gedacht heel wat geld wordt ingezameld. Zo kan een break-even draaiend spaar- en leensysteem worden opgezet. Een voorbeeld: deelnemers in een nog op te richten ’transitiefonds’ moeten maandelijks minimum 50 euro sparen. Op hun gespaard geld ontvangen ze jaarlijks 2% rente. Als een gemiddelde energiebesparende ingreep 6000 euro kost, kunnen álle deelnemers weliswaar gespreid in de tijd in minder dan acht jaar een goedkope lening opnemen. (3) Met die lening aan bijvoorbeeld 4% rente bekostigen ze de energiebesparende ingreep. De terubetalingstermijn en het bedrag worden vastgelegd op de geschatte winst op de energiefactuur door de ingreep. Na de terugbetaling van de lening kunnen de deelnemers kiezen of ze uit het fonds stappen en hun spaargeld terugkrijgen, of verder blijven sparen aan 2%.

Comments Off
Categories: Uncategorized

De organisatie van de bevrijding April 20, 2015

Het principe indachtig dat het doel in de middelen moet weerspiegeld worden zal de revolutionaire beweging een federatie van vrijwillig totstandgekomen groepen omvatten waardoor de autonomie van de samenstellende delen verzoend kan worden met eenheid in de aktie. De volgende organisatorische principes dienen dan ook in acht genomen te worden:
- de basis- en regionale organisaties beschikken over een zo groot mogelijke beslissingsautonomie die echter verzoenbaar is met gemeenschappelijke aktie van de gefedereerde eenheden;
- direkte demokratie, d.w.z. deelname van elkeen aan beslissingen waarvan hij/zij de gevolgen van zal ondervinden. Beslissingen worden bij voorkeur bij koncensus genomen, indien dit niet mogelijk blijkt worden in ieder geval de rechten van de minderheid gerespekteerd;
- de afgevaardigden in de federale organisatie zijn verantwoording verschuldigd aan hun achterban en kunnen te allen tijde door die achterban afgezet worden. Deze organisatorische principes maken een niet-vervreemdend militantisme mogelijk: de mensen aan de basis worden niet gemanipuleerd, ze blijven meester over hun eigen engagement en zicht hebben op de doelstellingen van hun aktie.

De syndikale organisatievorm blijft recht hebben op bestaan, op voorwaarde dat ze afstapt van haar sociaal-demokratische ideologie en praxis en terug aanknoopt bij de revolutionaire syndikale traditie. Dit houdt o.m. in:
- autonomie van het syndikalisme t.a.v. het patronaat, de staat en de partijen en een accentuering van de direkte aktie;
- de kreatie van en niet-burokratische en niet-dirigistische relatie tussen de syndikale top en basis;
- het laten op elkaar laten inhaken van eisen die de bescherming van de mensen binnen het bestaande systeem op het oog hebben en eisen die -op langere termijn- een radikale maatschappijverandering beogen;
- een voorkeur voor gewestelijke strukturen en akties boven sektoriële omdat deze laatste korporatistische reflexen in de hand werken.
- de wil om te interveniëren zowel binnen als buiten de pro duktiesektor: niet alleen om werklozen en prekairen te bereiken, maar ook omdat items uit de produktiesektor dikwijls verregaande maatschappelijke implikaties hebben (bv. de syndikale politiek i.v.m. de auto-sektor heeft zware konsekwenties voor het maatschappelijk transportprobleem in het algemeen).

Alhoewel maatschappelijke items vanuit het standpunt van het kapitaal minder pregnant zijn dan het reilen & zeilen in de produktiesfeer, maakt de syndikale beweging het zichzelf als revolutionaire beweging onmogelijk moest zij zich in een hoogmoedige reflex onverschillig of, erger nog, vijandig gaan opstellen tegenover de ’nieuwe sociale bewegingen’ die zich over het algemeen profileren rond één maatschappelijke problematiek (vrede, milieu, positie van de vrouw, etnische of kulturele minderheden). Syndikale organisaties en de nieuwe sociale bewegingen kunnen elkaar vinden in:
- een konvergentie van doelstellingen: bijvoorbeeld in het kreëren van netwerken van alternatieve ondernemingen, het stimuleren van projekten die de basisdemokratie in hun vaandel voeren; het accentueren van het belang van de internationale solidariteitsgedachte;
- een gelijklopendheid van strategie: bij beide is een negatief-kritische en een positief-opbouwende pool aanwezig waarrond een strategie van duale machtsvorming kan opgebouwd worden;
- een organisatorische verstrengeling: de samenwerkingsverbanden die zij zullen aangaan (in het kader van de duale machtsvorming) in de organen van de gefedereerde lokale of regionale basisinitiatieven.

Naast de nieuwe sociale bewegingen, zal de syndikale beweging ook een samenwerkingsverband moeten aangaan met de diverse politieke ’voorhoedes’ wier taak erin bestaat de politieke horizon van de revolutionaire beweging af te tasten, de terreinen waarop er ’pressing’ gevoerd moet worden in kaart te brengen en de taktische voorstellen te helpen formuleren die de beweging in zijn geheel of specifieke akties in het bijzonder kunnen vooruithelpen. Een politieke voorhoede die zich op de ’libertair socialistische traditie’ beroept ziet er als volgt uit:
- het is een voorhoede IN de beweging: geen politiek hoofdkwartier dat meent de waarheid in pacht te hebben en daarom met veel arrogantie de mensen van bovenaf meent te moeten mobiliseren en dirigeren. Libertairen gaan ervan uit dat ’ook de opvoeder opgevoed dient te worden’ en dat dit best kan gebeuren door een open diskussie aan te gaan met de mensen aan de basis wat moet uitmonden in een korrektie of zelfs totale herziening van de vroegere standpunten;
- het is een voorhoede die haar eigen bestaansreden durft te relativeren: libertairen willen de basisbeweging immers beïnvloeden met het oog op een versterking van de autonomie van de beweging (waardoor voorhoedes in laatste instantie overbodig zullen worden);
- een libertaire organisatie wil de belichaming zijn van de kommunistische utopie en is daarom opgebouwd volgens federalistische principes die een kollektief zelfbeheer van de machtsmechanismen garanderen (demokratische besluitvormings procedures, toegankelijkheid van informatie, rotatie van taken, geen levenslange vrijgestelden, rechten voor in ongelijk gestelde minderheden,….);
- omdat libertairen niet pretenderen de waarheid in pacht te hebben, aanvaarden ze ook het bestaaansrecht van andere politieke voorhoedes waarmee kan samengewerkt worden op basis van het enige kriterium dat hier van tel is: wordt daarmee de autonomie van de basisbeweging versterkt?

Comments Off
Categories: Uncategorized

Wegen naar realisatie March 18, 2015

In de strategische diskussie -welke konkrete stappen moeten genomen worden om deze konkrete utopie te verwezenlijken- wordt ondubbelzinnig gebroken met de mythe van de ’Grote Avond’: een radikale maatschappijverandering is geen zaak van een eenmalige staatsgreep en ook niet van een algemene staking. Het is integendeel een werk van lange adem waarbij men, BINNEN én TEGEN de bestaande kapitalistische maatschappij, de aanwezige kritische potentialiteiten zoveel mogelijk tracht te ontwikkelen en voordeel probeert te trekken uit de interne tegenstellingen van het systeem.

Wat dit laatste betreft: het kapitalisme ontwikkelt in haar eigen schoot kiemcellen die in een anti-kapitalistische zin kunnen omgebogen worden. Een voorbeeld: de krisis van het fordistische kapitalisme werd o.m. tweeggebracht door de tayloristische organisatie van het arbeidsproces die elk initiatiefrecht aan de arbeider ontzegde en hem reduceerde tot uitvoerder van monotone en -op zich genomen- zinloze lichaamsbewegingen. In de post-fordistische arbeidsorganisatie maken de arbeiders deel uit van ’autonome werkeenheden’ waarbinnen taakroulatie en kollektieve evaluatiemomenten ingebouwd zijn. Deze kiemen van autonomie kunnen als springplank gebruikt worden om het zeggenschapsrecht van de arbeiders naar andere domeinen uit te breiden. Een tweede voorbeeld: terwijl de ’fabrieks’-dimensie van het kapitalisme er eerder toe neigt om elke vorm van persoonlijkheidsontwikkeling bij de arbeiders in de kiem te smoren, zal haar ’supermarkt’-dimensie een bijna narcistische nadruk leggen op de ontplooiing van individualiteit. De geïndividualiseerde arbeider verkrijgt een eigen autonomie en bewustzijn die -mits de juiste stimulansen- op een bepaald moment kan omslaan in de weigering om nog langer ’perdre sa vie à la gagner’.

Een revolutionaire opheffing van het kapitalisme is slechts mogelijk op basis van georganiseerde netwerken van tegenmachten, geworteld in alternatieve projekten binnen en buiten de arbeidssfeer, die geleidelijk de materiële, institutionele en kulturele voorwaarden van het individuele en kollektieve bestaan gaan inkleuren. Een ’tegenmacht’ vervult een dubbele funktie: enerzijds moet het een alternatieve macht vormen t.a.v. het bestaande (met het gevaar dat het een spiegelbeeld wordt van het bekritiseerde machtssysteem); anderzijds moet het ook een alternatief vormen t.a.v. de klassieke machtsstrukturen (waarbij de maatschappelijke macht teruggegeven wordt aan de burgers en niet langer het exklusieve bezit is van een klubje beroepspolitici die zich institutioneel verschansen in hun ministeries, kabinetten, parlementaire kommissies, enz.).

Bihrs veranderingsstrategie ziet er dan als volgt uit. In eerste instantie proberen de mensen hun strijd in eigen handen te nemen: de aldus in het leven geroepen basiskollektieven federeren zich in autonome netwerken. Vervolgens probeert men dit soort basisexperimenten op een bredere schaal (sektoren, regio’s, naties) te vermenigvuldigen en een werkbare struktuur te geven. Tenslotte wordt aangestuurd op een moment van breuk waarbij de proletarische tegenmacht erin slaagt het bestaande staatsapparaat te ontmantelen en te vervangen. Omdat de revolutionaire beweging er niet op uit is de staatsmacht te veroveren of over te nemen, wordt deze vernietigd en vervangen door zelfbeheerorganen van de burgers die de sturing van het maatschappelijke leven terug in eigen handen gaan nemen. Als we de staat aanvallen moeten we haar in de eerste plaats deligitimeren, d.w.z. haar bestaansrecht in de ogen van de burgers ontnemen (zo kunnen we bijvoorbeeld wijzen op de tegenstelling tussen de etatistische machtsontplooiing en het demokratische principe). In dit verband moet ook een centraal belang toegekend worden aan de principes van de ’geweldloze weerbaarheid’, zonder dat dit een principieel pacifisme impliceert. Geweld moet in ieder geval taktisch goed gepland worden met de morele ineenstorting van de tegenstander als einddoel: net zoals bij Bookchin, mag de staat bij Bihr niet vechten, maar moet zij (uit elkaar) vallen.

 

Comments Off
Categories: Uncategorized

Een nieuwe ’konkrete utopie’ February 2, 2015

Door diverse oorzaken is dit fordistische maatschappij-model in elkaar gestuikt. In plaats van te proberen de uitengevallen stukken terug te lijmen zou de arbeidersbeweging er goed aan doen een nieuwe ’konkrete utopie’ te ontwerpen, waarvan de globale kontouren er als volgt uitzien:

Tegenover de kapitalistische praktijk om de produktiviteitsstijging om te zetten in een toename van de werkloosheid en de prekariteit, stelt Bihr het principe van het ’travailler moins pour travailler tous’. ’Tous’ = het is een kommunistisch principe dat werken niet alleen een recht, maar ook een plicht is, niemand mag zich onttrekken aan zijn rechtmatig deel van de maatschappelijk noodzakelijke arbeid (wat wel veronderstelt, zoals we straks zullen zien, dat ’arbeid’ geherdefinieerd wordt). ’Moins’ = het voorgaande is in ons geautomatiseerd tijdperk alleen maar mogelijk als de arbeidsduur radikaal verkort wordt, globaal en in een relatief kort tijdsbestek. Dit streven naar ADV (zich bevrijden VAN de arbeid) mag niet betekenen dat men de doelstelling van de bevrijding IN de arbeid door ’Anders te Gaan Werken’ opgeeft. In het arbeidsproces kan de individuele en kollektieve autonomie van de werkenden verhoogd worden door:
- de wedersamenstelling van de eenhied tussen hoofd-en handarbeid door de uitbouw van polyvalente werkeenheden die de konkrete arbeidsorganisatie op de werkplek in handen nemen; een deel van de arbeidstijd wordt besteed aan het kollektieve beslissingsproces;
- een andere benadering in de technologie-ontwikkeling die werkinstrumenten gaat ontwerpen die de kreativiteit en de initiatiefgeest bij de werkers kunnen bevorderen;
- een herdenken van de relatie tussen het beroepsleven, basisopleiding en permanente vorming: mensen worden geleidelijkaan geïntroduceerd in het beroepsleven, waarbij de permanente vorming toegespitst moet zijn op het zich eigen maken van ’zelfopleidingsmethodes’ die tegemoetkomen aan de snel wisselende eisen die door de arbeidstaken gesteld worden.

Een radikale ADV (25u/week; 1000u/jaar; 20.000u/loopbaan) veronderstelt de invoering van een gewaarborgd basisinkomen voor de periodes waarin men niet werkt. Bihr maakt daarbij onderscheid tussen een kapitalistische variant van het basisinkomen, dwz. een charitatieve gift oftewel een miserieloontje voor de gedwongen inaktiviteit en sociale uitsluiting. In die vorm heeft het basisinkomen geen andere funktie dan de uitsluiting draagbaar te maken en de maatschappelijke dualisering leefbaar te maken door ’armoederevoltes’ van de gemarginaliseerden in de kiem te smoren. In zijn progressieve gedaante is het basisinkomen een recht dat door de maatschappij aan de burgers toegekend wordt in ruil voor hun aandeel in de uitvoering van de maatschappelijk noodzakelijke arbeid, waardoor deze niet langer kunnen weggedrukt worden in de rol van vogelvrijverklaarden, van permanente verdachten gehuld in het aura van een onaanvaardbaar parasitisme. Het basisinkomen is dan niet langer meer een slinkse wijze om de loonarbeidsverhoudingen in stand te houden ten koste van een groeiende marginalisering, maar het is de sociale vorm die het inkomen aanneemt als de gestegen arbeidsproduktiviteit het niet meer toelaat om de maatschappelijke rijkdom te verdelen à ratio van de gepresteerde arbeid.

Spreken over het recht op en de plicht tot arbeid heeft slechts zin als we ook bereid zijn de aard van de gepresteerde arbeid mee onder de loupe te nemen. Dat betekent meteen dat het produktieproces moet geherstruktureerd en geheroriënteerd worden, rekening houdend met een vijftal kriteria. Ekologisch gaat de voorkeur uit naar technieken en produkten die op de natuurlijke hulpbronnen bezuinigen en de afvalhopen zo klein mogelijk proberen te houden. Ook de ’sociale efficiëntie’ zou moeten gemaximaliseerd worden, dwz de sociale kosten in termen van arbeidsduur en arbeidskracht-slijtage moeten zo laag mogelijk gehouden worden. Produktieaktiviteiten moeten vervolgens beoordeeld worden afgaande op hun sociaal nut: wapen- en nukleaire industrieën worden afgeschaft, de bevrediging van kollektieve behoeften krijgt voorrang op individuele behoeften, behoeftenprioriteiten worden via een demokratische planning vastgelegd. Decentralisatie van het produktieapparaat en ontvetting van de bestuursburokratie moeten gestimuleerd worden opdat direkte demokratie en zelfbeheer terug een kans zouden krijgen. Tenslotte moeten de produktieaktiviteiten, bekeken vanuit een internationale kontekst, ook de ’damnés de la terre’ ten goede komen.

Maar ook het maatschappelijk leven buiten de produktiesfeer moet zo veel mogelijk aan de kapitalistische overheersing onttrokken worden, zowel in zijn markt-dimensie (monetaire en warenverhoudingen) als in zijn etatistische dimensie (de geburokratiseerde verhoudingen van de staat). Het gaat erom een sociale demokratie te ontwikkelen die zich van de huidige vigerende politieke demokratie onderscheid op het vlak van de vormgeving (direkte, zelfbeherende demokratie i.p.v. indirekte, representatieve demokratie) én op inhoudelijk vlak (kollektieve machtsverwerving over konkrete uitingen van het dagelijkse leven i.p.v. de geleidelijke implementatie van abstrakte rechten en principes). Zulk een alternatieve vermaatschappelijking noemt Bihr een leerschool voor het kommunisme, een ’laboratoire permanent d’expérimentation sociale’. Het veronderstelt echter een echte ADV als een middel in de strijd tegen werkloosheid en prekariteit, want in een gedualiseerde samenleving worden alternatieve praktijken noodzakelijkerwijze geperverteerd. Zij verworden dan tot zelfbeheer van ekonomische marginalisering en sociale uitsluiting, tot ghetto’s getooid met een laagje autonome en konviviale vernis. Verder veronderstelt het een ’kulturele revolutie’ die het leven beheersd door ekonomische waarden en praktijken en door het arbeidsethos vervangt door een leven gecentreerd rond zelfontplooiing en kommunikatie met de anderen in het kader van een kollektieve participatie aan een vrije kreatie van de maatschappelijke wereld. I.p.v. de liberale ego-en zelfzuchtige individualiteit komt de kommunistische sociale individualiteit.

Op internationaal nivo pleit Bihr voor een loskoppelingsstrategie t.a.v. de wereldmarkt die aangedreven wordt door een dubbele, sociaal destruktieve, logika. Enerzijds is er de konkurrentielogika in het kapitalistische centrum die leidt tot afbraak van de sociale zekerheid en sociale dumpingspraktijken. Anderzijds is er de uitbuitingslogika in de perifere landen die moet omgebogen worden m.b.v. samenwerkingsverbanden die de ’développement autocentré’ stimuleren. Deze samenwerking kan zowel op het makro-vlak (bv. annulatie van schulden, gegarandeerde grondstoffenprijzen, steun aan regionale samenwerkingsverbanden, ondersteunen van agrarische hervormingen) als op mikro-vlak (ondersteuning van een alternatieve praxis door NGO’s en vooral plaatselijke projekten) gevarieerde konkrete vormen aannemen.

 

Comments Off
Categories: Uncategorized

Alain Bihr in het voetspoor van het revolutionair syndicalisme January 2, 2015

 

In 1991 publiceerde de Franse socioloog en filosoof Alain Bihr een merkwaardig boek onder de titel ’Du ’grand soir’ à l’alternative -Le mouvement ouvrier européen en crise’ (Ed. Ouvrières, Paris), waarin hij een gedetailleerde analyse maakt van de ondergang van het sociaal-demokratische model van de arbeidersbeweging. Het vacuüm dat door de ontreddering in het linkse kamp gekreëerd werd wil hij aangrijpen om de sociale strijd op nieuwe sporen te zetten die het menselijk emancipatiestreven verbreden en verdiepen. Zijn konkrete en verregaande voorstellen vormen een geslaagde synthese van wat er de laatste jaren aan maatschappelijke alternatieven uitgedokterd is geworden. Bihr situeert zich ideologisch in de traditie van het radenkommunisme en het revolutionaire syndikalisme: hij hanteert daarbij een variant van de dogmatische marxistische terminologie die zijn blik bijwijlen sterk vertroebelt, zonder dat dit echter afbreuk doet aan de profetische kracht en luciede inspiratie die uit zijn werk spreken.

Alain Bihr situeert de ’sociaal-demokratisering’ van de Europese arbeidersbeweging, zowel in zijn reformistische als in zijn revolutionaire variant, in de vooroorlogse jaren tussen 1880 en 1914. De basisidee was dat het proletariaat zich slechts uit de onderdrukkende en uitbuitende verhoudingen van het kapitalisme zou kunnen bevrijden door de staatsmacht op de burgerij te veroveren. De staat werd voorgesteld als een verplichte en onontwijkbare tussenstop op weg naar de emancipatie. Reformisten (à la Hendrik De Man) streven een geleidelijke demokratisering van de kapitalistische maatschappij na via struktuurhervormingen. Revolutionairen (Lenin) willen de produktiemiddelen verstaatsen om op die manier de ekonomische ontwikkeling op een geplande manier te doen verlopen. In beide gevallen probeert men het kapitalisme te verstaatsen en wordt miskend dat de staat integraal deel uitmaakt van de kapitalistische ordening en dat een revolutionaire inkleuring daarvan een contradictio-in-terminis is. Bovendien zullen de arbeidersorganisaties spontaan de gestalte aannemen van een ’tegen-staat’ die exakt de eigenschappen van de staat zelf gaan weerspiegelen: centralisatie, machtsdelegatie, burokratische hiërarchie, beslissingen genomen door een top gehuld in nevelen van exklusiviteit en geheimzinnigheid. Ideologisch zullen zij zich laten inspireren door een aantal ’verlinkste’ burgerlijke thema’s, zoals het geloof in de onomkeerbare historische vooruitgang die noodzakelijkerwijze kulmineert in het socialisme.

De ’sociaal-demokratisering’ werd mogelijk gemaakt door de nederlaag van haar ideologische rivaal: het revolutionaire syndikalisme. Tegenover het etatisme stelde het syndikalisme dat ’de emencipatie van de werkers de zaak van de werkers zelf moet zijn’. Het proletariaat moet zijn heil niet verwachten van een extern organisme, maar uit zichzelf de kracht putten om de strijd tot het einde door te voeren. Vandaar het belang van de direkte aktie: de (algemene) staking, de boycot, de sabotage, de agitatie, het oproer,… Spontane organisatievormen van de werkers worden verkozen boven andere: de syndikaten worden uitgebouwd als embryo’s van de nagestreefde kommunistische maatschappij (waarbij horizontale strukturen de voorkeur genieten boven vertikale). Ideologisch wordt het anti-etatisme verbreed tot een fervent anti-militarisme en anti-nationalisme. Akties moeten een pedagogische meerwaarde krijgen: het geloof van de arbeiders in hun eigen kracht versterken.

Het sociaal-demokratische model vierde haar triomf in de ’fordistische’ fase van het kapitalisme (1945-1973), toen de kapitaalbezitters aan de overheersten het recht toekenden om te onderhandelen over de kondities van hun overheersing. Dit werd mogelijk gemaakt door een herstrukturering van het kapitalisme in de zin van een massaproduktie- en konsumptiesysteem dat ingebed werd in het beschermende kader van de (keynesiaanse) welvaartsstaat. Het fordistische kapitalisme kan opgevat worden als het resultaat van een reusachtig ’gemarchandeer’ waarin het historisch ’avonturierschap’ van de arbeidersklasse ingeruild wordt voor maatschappelijke zekerheid. In ruil voor de erkenning van de legitimiteit van de bourgeois-dominantie krijgen de arbeiders reële sociale rechten (op werk, op uitkeringen, op huisvesting, op vrije tijd,…) i.p.v. de vroegere formele burgerlijke en politieke rechten.

Comments Off
Categories: Uncategorized

Democratische rampen December 20, 2014

In de risicomaatschappij gaat het niet meer om de verdeling van de `goods’, maar om de verdeling van de `bads’. Het bijzondere daaraan is dat die `bads’ veel democratischer toeslaan. Milieurampen, vervuild drinkwater, het gat in de ozonlaag en het broeikaseffect raken iedereen; ze trekken zich er niets van aan of we rijk of arm zijn. Iedereen wordt er in toenemende mate, en over de hele aardbol, mee geconfronteerd. In de risicomaatschappij gaat het dus niet om het verwerven van meer spullen, maar om het indekken tegen risico’s. De sociale strijd zal dan ook heel anders gaan verlopen, voorspelt Geldof. Rijkdom kun je bezitten, maar door risico’s worden wij allen getroffen. Daartegen kun je je alleen maar verdedigen – niet door je te isoleren, maar juist door samen te werken en offers te brengen.

DE DERDE FASE

Onze maatschappij is nog helemaal niet ingericht op het aanpakken van die risico’s. Er zijn nog nauwelijks instellingen die zich daarop richten. Wat we vooral doen, is proberen met oude middelen (economische groei) de problemen op te lossen. Terwijl het nu juist de vraag is of er niet heel andere middelen gezocht moeten worden. Dat is de eerste fase van de risicomaatschappij: dweilen met de kraan open. Meer van hetzelfde, zonder dat het tot echte oplossingen leidt. Daarom is er ook steeds minder vertrouwen in de overheid en het bedrijfsleven als het gaat om het oplossen van onze risico’s.

In de tweede fase ontstaat bewustzijn dat we het op de oude manier niet kunnen oplossen. In die fase zijn we nu aangeland. Steeds vaker blijken we in staat om in te zien dat we zo niet verder kunnen. Dat leidt wel tot bewustzijn, maar niet tot verandering. Veel mensen in de rijke landen zitten al in die fase. Ze weten eigenlijk al, diep in hun hart, dat het zo niet verder kan.

De derde fase, van nieuwe oplossingen, is nog nauwelijks aangebroken, maar er zijn wel hoopvolle signalen op grass-root-level. De overheid of het bedrijfsleven zijn daar nog lang niet aan toe.

ONTHAASTING EN VERSOBERING

Het verzet tegen het oude en de veranderingen die daaruit voortkomen zullen andere vormen krijgen dan in de industriële maatschappij, toen het proletariaat het heft in handen nam en voor meer goederen begon te strijden. Nu zullen nieuwe coalities ontstaan van hen die zich het meest bewust zijn van de risico’s die we lopen. De sleutelwoorden van die nieuwe beweging zijn volgens Geldof: zelfbeperking, vertraging, verlangzaming, onthaasting en versobering. Het belangrijkste vernieuwingspotentieel voor de risicomaatschappij is de zelfbeperking.

De socioloog baseert zich vooral op uitgebreid Amerikaans en Europees onderzoek naar de zogenaamde postmateriële waarden. Steeds meer mensen leggen nadruk op niet-materiële waarden, zoals tijd, aandacht, stilte en (schone) ruimte. Steeds meer ligt de nadruk op kwaliteit in plaats van kwantiteit. Dat komt natuurlijk niet uit de lucht komt vallen. Veel zieners hebben dit al voorspeld, van Henri Thoreau via Huxley tot de Club van Rome, en allerlei moderne utopisten, vrekken, tijdpioniers, Letsers en ga zo maar door.

Geldofs boek biedt geen pasklare oplossingen. Wel geeft het een kader om onze samenleving opnieuw te begrijpen: van de globaliserende economie tot onze eigen leefwereld, van twijfels over carrière en relaties tot de afweging tussen presteren en genieten. Het stelt vragen over onze levensstijl. Daarmee kan dit boek een belangrijk hulpmiddel zijn voor de broodnodige reflectie op onze maatschappij.

Comments Off
Categories: Uncategorized

Goods en bads: op naar de risicomaatschappij November 15, 2014

 

De nadelen van onze overconsumptie treffen ons allemaal, stelt Dirk Geldof in zijn boek `Niet meer maar beter’. Het gaat vanaf nu niet meer om de verdeling van de `goods’ maar van de `bads’.

Wij bevinden ons in de overgang naar een nieuwe maatschappij: van de industriële naar de risicomaatschappij, concludeert de Vlaamse socioloog Dirk Geldof. In de industriële maatschappij, die is opgebouwd tussen het midden van de achttiende en het einde van de vorige eeuw, ging het vooral om materiële groei. Door de industriële revolutie werd het voor steeds grotere groepen mogelijk een welvarend bestaan op te bouwen. De verschillen tussen arm en rijk zijn in die periode veel kleiner geworden. De welvaart is gedemocratiseerd.

Maar alhoewel de industriële groei nog niet is afgelopen, ontstaat vanaf ongeveer 1980 een nieuwe fase in onze geschiedenis, die van risicomaatschappij. Wat is dat? In de industriële maatschappij ging het vooral om de verdeling van de `goods’. Er werden steeds meer goederen geproduceerd, waarvan steeds meer mensen konden profiteren. Nu begint die industriële groei zich tegen ons te keren doordat hij steeds meer risico’s oplevert. Dat kan ieder weldenkend mens uit eigen ervaring bevestigen. We verdienen gemiddeld tweemaal zoveel als in 1975, maar ons welzijn is zeker niet verdubbeld. Integendeel, ons gevoel van onveiligheid is juist toegenomen, door toenemend geweld, door arbeids- en inkomensonzekerheid en door toenemende risico’s van de individualisering. En vooral ook door milieurisico’s. We kunnen bepaalde natuurrampen dan inmiddels aardig onder controle hebben, door onze enorme industriële productie dreigen we nu het slachtoffer te worden van milieurampen die door onszelf zijn veroorzaakt.

Comments Off
Categories: Uncategorized

L. Vanneste, revolutionaire reformist October 5, 2014

 

Onder de titel ’Is er nog een alternatief voor het casino kapitalisme?’ verzamelde het Gentse filosofische tijdschrift Kritiek i.s.m. IMAVO een aantal interessante bijdragen rond het thema van de relevantie van anti-kapitalistische perspektieven in het post-kommunistische tijdperk. Mijn aandacht werd vooral getrokken door de bijdrage van Luc Vanneste, doktor in de wijsbegeerte, vroeger sympatisant van de KPB en momenteel topfuntionaris in de textielcentrale van het ABVV. Vanneste beschrijft in het artikel zijn politieke en intellektuele evolutie van ’revolutionair’ tot wat hij noemt een ’revolutionaire reformist’. Hij blijft revolutionair omdat hij ervan overtuigd is dat het bestaande kapitalistische systeem steeds dichter zijn grenzen benadert (hij verwijst daarbij naar de staatsschuld, de werkloosheid en het onderhuids aanzwellende milieuvraagstuk). Maar hij is niet langer een ’principieel’ revolutionair die vanuit zijn studeerkamer of progressieve kafee de les spelt aan opportunistische politieke of syndikale voormannen en hun lijdzame volgelingen. Diens blanke principes verbergen al te dikwijls ’vuile handen’: zij zijn een voorwendsel om niets te doen en onttrekken vooral de kleine, konkrete mensen aan het oog. Verwijzend naar het beroemde theaterstuk van Sartre ’Les Mains sales’ identificeert Vanneste zich niet langer met de zuivere Hugo (’De zuiverheid is een idee van fakirs en paters. Jullie intellektuelen, anarchisten, bourgeois, jullie vinden er een voorwendsel in om niets te doen. Niets doen, onbewogen blijven, de ellebogen tegen het lijf aandrukken, handschoenen dragen’), maar hij kan nu sympathie en begrip opbrengen voor de opportunistische partijleider Hoerderer die konkrete mensen verkiest boven principes (’Voor mij telt het een mens meer of minder in de wereld. Het is kostbaar. Ik ken je goed, kleintje, je bent een vernieler. Je haat de mensen omdat je jezelf haat. Je zuiverheid lijkt op de dood en de Revolutie waar je van droomt is niet de onze: je wilt de wereld niet veranderen, je wilt haar laten springen’).

Op het eerste zicht lijkt het paradoxaal het revolutionaire en het reformistische te willen verzoenen: een revolutionair syndikalist probeert immers op de een of andere manier het systeem kapot te breken, terwijl de reformist ervoor moet zorgen dat zijn leden een groter deel van de koek krijgen en dus ook dat het systeem soepel genoeg draait opdat er steeds meer koek gebakken zou kunnen worden. Vannestes oplossing bestaat erin niet te streven naar een ondergraving van het bestaande produktie-apparaat, maar naar een hervorming ervan naar een nieuw apparaat. Het systeem een voetje lichten (door onze steun aan het stelsel te onttrekken in de vorm van een algemene konsumptiestaking of door zoveel te gaan eisen dat het doorbuigt onder de overdreven druk) heeft geen zin omdat er geen uitzicht bestaat op wat erna moet komen, omdat er geen embryo van een nieuw systeem gereed zit, omdat we onvermijdelijk zouden belanden in een revolte zonder doelgerichtheid. Wat is het alternatief? De ontwikkeling van het maatschappelijk systeem dwingt tot verandering. De syndikale organisatie moet dat niet trachten tegen te gaan. Ze moet daarop inspelen door haar leden voor te bereiden op de keuzes die onvermijdelijk moeten gemaakt worden. Vannestes uitweg uit de paradox ziet er dan als vogt uit: ’De vakbeweging moet inderdaad de welvaart bevechten op het systeem. Maar zij moet het niet ten allen prijze overeind houden. Zij moet ervoor zorgen dat zij op een andere boot kan springen op het moment dat de huidige zinkt. En voor die sprong moet zij de mensen nu al voorbereiden’ (p.28). Deze strategie van het revolutionaire reformisme veronderstelt een bepaald soort wachten. Het is geen wachten op Godot: in dat geval is er wel behoefte aan hoop, maar tegelijkertijd is elke konkrete hoop op een uitweg afwezig. Intuïtief voelt men aan dat het zo niet langer verder kan en dat elke poging om het systeem op te lappen nutteloos is maar tevens voelt men zich hulpeloos overgeleverd aan de apokalyps. Daartegenover staat het wachten ’als geduld’ (Vaclav Havel). Hier werd zaad gestrooid in de vorm van een welbepaalde praxis van verzet en van een voortdurend herhalen van de waarheid. Er is hoop aanwezig dat het verspreide zaad ’ooit zal ontkiemen. Niemand weet wanneer. Op een dag. Misschien voor een andere generatie. Deze houding die we, om het eenvoudig te stellen, dissidentie zullen noemen, veronderstelt en kultiveert het geduld (…). Het is het wachten op het ontkiemen van het zaad -terwijl wachten op Godot hetzelfde is als wachten op de bloei van een lelie die we nooit hebben geplant’.

Tot zover Vanneste. In grote mate kan ik hem volgen, afhankelijk van de konkrete invulling dat aan zijn abstrakt stramien gegeven wordt. De bestaansgrond van dit nieuwe tijdschrift is net dat ’het systeem zijn grenzen nadert’. In de volgende nummers zou ik de destruktieve logika van het internationale kapitalisme in zijn verschillende dimensies (niet alleen ekonomisch en sociaal, maar ook kultureel en ekologisch) uitvoerig uit de doeken willen doen. Laat mij er deze keer mee volstaan te verwijzen naar E. Vermeersch’ ’Scylla en Charybdis’-principe als meest overtuigend argument voor een revoltionaire houding. Dit principe stelt dat de ongeveer 10 miljard mensen die in het jaar 2100 op onze planeet zullen rondlopen ofwel dezelfde levensstandaard zullen hebben als nu (met 9/10 van de maatschappelijke rijkdom gekoncentreerd in het Westen) wat ethisch onaanvaardbaar en sociaal-politiek onhoudbaar is, ofwel zullen die 10 miljard mensen allemaal Euro-Amerikanen geworden zijn wat de bijkomende druk op het milieu met 1000 à 2000% zou verhogen, een eveneens onhoudbare situatie.

Een ’revolutie’ is vanuit dat perspektief onvermijdelijk, maar de revolutionaire doelstelling moet hier-en-nu reeds aanwezig gesteld worden. Het eindeloos wachten en zich voorbereiden op de Grote Avond is een door de tijd achterhaalde mythe. De Russische libertaire socialist Alexander Herzen schreef 100 jaar geleden reeds: ’Een doel dat oneindig veraf ligt, is helemaal geen doel, het is een misleiding. (…)Het doel van iedere generatie moet in zichzelf liggen’. Het nieuwe moet dus nu reeds gezaaid worden. In welke zin moeten we dat verstaan? Een tijdje terug introduceerde de Nederlandse libertaire ekologist Marius De Geus in zijn boek ’Politiek, milieu en vrijheid’ (1993) de term ’ekologische herstrukturering’, die mij een goede konkretisering lijkt van wat Vanneste het inplanten van een nieuw embryo noemt. Ekologische herstrukturering situeert zich ergens tussen ’piecemeal engineering’ en ’utopian engineering’. Niet gans de maatschappij moet hervormd worden, niet iedere steen dient verplaatst te worden. Het gaat om diepergravende aanpassingen en hervormingen op middellange termijn die nog kunnen bijgesteld worden. Hij vergelijkt dit met het bouwen van een huis. De utopische ingenieur zal een geheel nieuw huis willen neerzetten uitgaande van plannen waarin het zogenaamde ’perfekte’ huis is uitgetekend. De stukjes-ingenieur houdt het oude huis intakt, alleen het strikt noodzakelijke wordt gerepareerd of vervangen. De ekologische ingenieur daarentegen zet geen volledig nieuw huis neer, maar zal het huis in min of meerdere mate aanpassen, uitbouwen en herbouwen om aan de nieuwe eisen te voldoen. Niet enkel de gevolgen van de veroudering van het gebouw worden aangepakt, maar de struktuur van het ganse gebouw verandert. Herziening van de verbouwing blijft steeds mogelijk: het huis blijft hetzelfde, maar ondergaat terzelfdertijd een grondige verandering. Alleszins een verhelderend metafoor maar alle problemen zijn daarmee nog niet van de baan. Zo iemand als ’de’ ekologische ingenieur bestaat immers niet: hoe hij de verbouwing ziet zal afhangen van zijn opleiding en persoonlijke smaak. Zo zal Marius De Geus zelf -overtuigd van de onomkoombaarheid van de vrije marktekonomie – een tamelijk liberale inkleuring geven van zijn ekologisch huis. Iemand als André Gorz zal een eerder sociaal-demokratische variant verdedigen, terwijl ikzelf meer zie in de gewoonlijk als ’gauchistisch’ omschreven voorstellen van een Alain Bihr of Murray Bookchin.

Een verdere nuancering zou ik willen aanbrengen in de identiteit van de ’zaaiers’: op dat vlak zou ik willen pleiten voor een taakverdeling tussen organisaties die binnen het kader van de Grote Politiek plegen op te treden (partijen, vakbonden, min of meer ’gevestigde’ nieuwe sociale bewegingen,…) en organisaties die behoren tot de Kleine Politiek (aktiegroepen, alternatieve woon-en werkprojekten, allerlei sociale initiatieven,…). De eersten stellen zich op het standpunt van het haalbare: rekening houdend met de bestaande machtsverhoudingen proberen zij de sneltreinvaart waarmee ons systeem afsnelt op de afgrond, af te remmen. Dat kan gebeuren door maatregelen voor te stellen die ons ’uitstel van exekutie’ opleveren, dwz. dat zij ervoor kunnen zorgen dat ons sociaal en ekologisch draagvlak niet dodelijk verzwakt wordt in afwachting van meer duurzame oplossingen. Die duurzame oplossingen maken echter slechts kans als de organisaties tegelijkertijd hun mensen, middelen en faciliteiten aanwenden om het dissidente zaad te helpen verspreiden. De leden kunnen gekonfronteerd worden met nieuwe ideeën en projekten die hen leren de wereld met andere ogen te bekijken en op die manier de pathologie van het alledaagse leven onder het kapitalisme helpen te doorbreken.

Maar minstens even belangrijk schat ik de projekten en initiatieven in die zich op het standpunt van het noodzakelijke/wenselijke stellen: welke samenleving hebben wij ’idealiter’ nodig om op een duurzame wijze mens-en milieuvriendelijk te kunnen verderleven? Dit is het aktieterrein van de principilen, de filosofen, van de mensen die vinden dat de gehanteerde middelen in overeenstemming moeten zijn met het geviseerde doel. Hier wordt geëxperimenteerd met kleinschaligheid, zelfbeheer, kollektieve woonvormen, alternatieve hulpbronnen, organische landbouw, libertaire opvoeding, meditatie, enz. Deze toekomstgerichte embryo’s werden, jaren geleden reeds, door de Amerikanse filosoof Robert Nisbet ondergebracht in een heel specifieke politieke traditie die hij de ’ecological community’ noemde en die als volgt door hem omschreven werd: ’(…) Revolutie is niet haar wezenlijk kenmerk want terwijl het overheersende doel van de revolutie de omverwerping en afgedwongen aanpassing van het menselijke gedrag aan de revolutionaire macht en projekten is, zijn de doelstellingen en handelingen van dit soort mensen, op een uitzondering na, vredelievend, niet geïnteresseerd in verovering en gewongen aanpassing, dwangloos, zich realiserend via het stellen van voorbeelden en door visie, eerder dan door revolutionair geweld en centralisatie van de macht’.

Comments Off
Categories: Uncategorized